HET LITURGISCH JAAR

De liturgie viert elke dag opnieuw het mysterie van ons geloof. Ze doet het heel bijzonder elke week opnieuw in de eucharistieviering op zondag en over het hele jaar gespreid op de vele feestdagen die ter ere van Christus en de heiligen zijn ingesteld. Rond deze feesten hebben zich de zogenaamde sterke tijden gevormd. Hier bespreken we de tijden rond Pasen en Kerstmis, de twee grootste feesten van het jaar.

VEERTIGDAGENTIJD EN VASTEN
De veertigdagentijd zet in met aswoensdag, de dag waarop wij, gelovigen ons bekennen als zwakke en zondige mensen. We spreken onze bereidheid uit om door vasten, goede werken en meer aandacht voor het evangelie, God en onze naaste inniger lief te hebben. Met Aswoensdag gaan we de veertigdaagse voorbereidingstijd in, op weg naar Pasen.
 
PAASTIJD 
De paastijd duurt vijftig dagen. Op de veertigste paasdag vieren we de Hemelvaart van de Heer. Een dag later begint de Pinksternoveen, waarop het hoogfeest van Pinksteren de paastijd afsluit.  
“Pasen” is in de bijbel een sleutelbegrip. Aan de oorsprong ervan staat het verhaal van de uittocht uit Egypte. Dit verhaal vertolkt een grondervaring van het volk van Israël. Dankzij de reddende nabijheid van God is het ongelooflijke gebeurd: doorheen de engte van de Rode Zee - de “wateren van de dood” - hebben de Hebreeën de overgang kunnen maken van slavernij, onderdrukking en dood naar vrijheid en nieuw leven. Deze eerste “uittocht” wordt in de verdere geschiedenis van Israël telkens in herinnering gebracht. Ze houdt ook steeds opnieuw de hoop wakker op nieuwe “uittochten”, zoals bijvoorbeeld de terugkeer na de ballingschap. In die zin wordt “Pasen” (in de betekenis van “doortocht”, “overgang”) een beeld dat Israël telkens weer zal helpen om de eigen ervaringen gelovig te duiden. Zo gebeurt het trouwens ook in het nieuwe Testament. Wanneer de eerste christenen beginnen te spreken over de verrijzenis van Christus, dan duiden ze deze ervaring als de ultieme “uittocht”. Jezus heeft de meest ongelooflijke doortocht gemaakt die de mens zich zou kunnen voorstellen: de doortocht van dood naar nieuw leven. De boodschap van zijn verrijzenis maakt dat de dood geen absoluut einde meer is, waar de mens in de leegte van het niets valt: sterven wordt een doorgang, een Pasen, naar iets nieuws. En zoals bij de uittocht uit Egypte is het ook hier slechts Gods Liefdeskracht die deze overgang voor de mens mogelijk maakt.
  
Als we het woord “Pasen” horen in verband met de liturgie, denken we wellicht spontaan aan het jaarlijkse paasfeest, waarop wij de verrijzenis van Jezus vieren. Elk jaar klinkt het uitbundig: “De Heer is waarlijk verrezen. Alleluia”. Toch gaat het daar slechts om een hoogtepunt. Om de volle betekenis van “Pasen” recht te doen, moeten we minstens de verschillende momenten van het hele paastriduüm (Witte Donderdag – Goede Vrijdag – Stille Zaterdag – paaswake en paaszondag) in rekening brengen. En we moeten nog verder gaan. Eigenlijk is Pasen een sleutelwoord voor de ganse christelijke liturgie: in al haar vormen is deze wezenlijk de gedachtenisviering van het leven, het lijden, het sterven en verrijzen van Jezus Christus, kortom, van zijn “Paasmysterie”, als de ultieme openbaring van Gods reddende liefde. Dus niet alleen tijdens het Paasfeest of in de paastijd, maar ook elke zondag tijdens de eucharistie, in de andere sacramenten of in het getijdengebed, vieren we telkens hetzelfde “geheim”: dat het Pasen van Christus ook vandaag aan ons gebeurt. Nu al mogen wij, dankzij Gods Liefdeskracht, delen in het verrijzenisleven van de levende Heer, in de hoop dat we eens helemaal met Hem onze persoonlijke ultieme doortocht zullen maken.
  
ADVENT EN KERSTTIJD 
De liturgische boeken beginnen met de advent. Het is een tijd van diepe vreugde, maar tegelijkertijd een tijd van versobering en inkeer, een oefening om Hem te herkennen die midden onder ons staat. Het is een ingaan op de oproep van Johannes om ons radicaal toe te leggen op een evangelische levensstijl.